Heiligen

- Zoeken

Heilige Louise de Marillac - 15 maart

Heilige Louise de Marillac

(° 1591 - † 1660)
Ordestichtster
Patrones van maatschappelijke werkers

De heilige Louise de Marillac werd op 12 augustus 1591 geboren in Meux (Frankrijk) als onecht kind van de Parijse adel. Hoewel zij reeds op jonge leeftijd een religieuze roeping ontving, vond zij door haar zwakke gezondheid geen enkele orde bereid om haar op te nemen.

Zij huwde Antoine LeGras, een ambtenaar van de koningin, in 1611 en werd weduwe in 1625. Louise werd een leerlinge en medewerkster van de heilige Vincentius a Paulo en stichtte samen met hem de Dochters van Liefde. Deze orde bracht maaltijden bij de zieken aan huis en bood hen ook de nodige verzorging. De zusters konden zich telkens voor één jaar aan de orde verbinden en desgewenst ieder jaar, op 25 maart, hun geloften voor een jaar verlengen.

Louise de Merillac was een spirituele leidsvrouwe voor verschillende groepen van vrouwelijke lekenvolgelingen. Ze trad toe tot de orde die zijzelf oprichtte en fungeerde er als abdis tot aan haar dood op 15 maart 1660 in Parijs. Haar lichaam zou ook na haar dood intact gebleven zijn. Haar graf bevindt zich in het moederhuis van de Dochters van Liefde in de Rue du Bac in Parijs.

Louise de Merillac werd op 11 maart 1934 heilig verklaard door paus Pius de XI. Zij is de patrones van mensen die hun ouders verloren hebben, kinderen die niet aan de verwachtingen van hun omgeving voldoen, mensen die afgewezen worden door religieuze orden, zieken, mensen met een gebrekkige gezondheid, maatschappelijke werkers, weduwen en alle vormen van sociale hulpverlening.

Afbeelding: de heilige Louise de Marillac en haar medezusters (Dochters van Liefde), auteur onbekend.

Weerspreuk

Op het feest van Louisa
komt de warmte de grond uit.

Half maart,
vuur en licht uit de haard.

De volkskalender uit de zestiende eeuw adviseerde dat vanaf 15 maart enkele huishoudelijke gebruiken die typisch waren voor de winter aan de kant moesten. Het haardvuur moest uit en men mocht ook geen kaarsen meer gebruiken omdat het 's avonds lang genoeg licht was.

Spinnen deed men van half oktober tot half maart. Vanaf 15 maart was er alweer genoeg werk op het land en kon men de spinnewielen rustig opbergen.

Half maart,
spinnewielen en grispotten uit den haard.

Grispotten waren stenen of metalen pannen met een deksel en gaatjes. Ze werden gevuld met hete as uit de open haard en de spinsters plaatsten ze onder hun lange rokken tussen hun voeten om het warm te hebben want de haard verwarmde maar zeer plaatselijk.