Heiligen

- Zoeken

Mulieres religiosae

Dertien vrome vrouwen lagen aan de oorsprong van de begijnenbeweging

In het zog van de door Bernardus van Clairvaux geïnitialiseerde stroming van de Vita apostolica (naar het voorbeeld van de apostelen) ziet de begijnenbeweging het levenslicht. Mede geïnspireerd door de opkomst van de bedelorden van de franciscanen en dominicanen, gaan individuele vrouwen leven als mulier religiosa (vrome vrouw).
Zij streefden een sober, gestructureerd leven in 'franciscaanse' geloofseenvoud na. Binnen deze context waren ze vrije vrouwen, vrij om hun leven aan God te wijden. Zo opent zich gaandeweg voor deze vrouwen een derde weg (naast het huwelijk en het klooster), een 'via media'.

De Woestijnvaders

Hoe origineel deze levenswijze ook lijkt, de mulieres religiosae liggen er niet aan de oorsprong van. Reeds in de vierde eeuw van onze jaartelling waren er mensen die Jezus op een meer radicale wijze wilden navolgen. De Woestijnvaders (-en moeders) zochten een godsbeleving die alleen 'ervaren' kon worden; geen godsbeeld dat hen door anderen opgedrongen werd.

Zo ontstond er een beweging van mannen en vrouwen die steeds dieper de Egyptische Sketiswoestijn introkken om zich geheel op God te richten. Zij brachten hun leven terug tot de essentie: een op God gericht leven in gebed, lezing en werk. Zij streefden naar een godsbeschouwing zonder beelden, woorden of gedachten, met heel hun wezen gericht op God.

Deze verhalen rond deze kluizenaars uit het Oosten werden door de kruisvaarders bij hun terugkeer mee naar huis genomen. Hier beïnvloedden ze de mulieres religiosae - de vrome, maagdelijke vrouwen (onder deze vrouwen treffen we overigens evengoed weduwen aan) - op zodanige wijze dat er een nieuwe spirituele beweging uit geboren word: die van de reclusen. Enkele van deze reclusen gingen zich in een later stadium groeperen en dit fenomeen was als dusdanig de voorloper van de begijnenbeweging.

De bedelorden

Een andere, zeer belangrijke impuls, ging uit van de nieuwe bedelorden: franciscanen en dominicanen. Hun geloofseenvoud en leven in evangelische armoede voedde evenzeer de nog prille begijnenbeweging. Ook bij de franciscanen is het kluizenaarsschap van meet af aan aanwezig en blijft dat ook. Het gebruik van het Tau-kruis als populair symbool in de franciscaanse beweging gaat eveneens terug op de Woestijnvader Antonius de Grote.

Van Clara, de eerste vrouwelijke volgelinge van Franciscus van Assisi en stichteres van de clarissen, wordt gezegd dat zij 'rondtrok' in haar binnenkamer. Ermentrudis, een Keulse jonkvrouw die als begijn in Brugge leefde, raakte begeesterd door Clara's levenswijze en werd op haar beurt de stichteres van een aantal clarissenkloosters in onze streken, Frankrijk en Duitsland.

Deze twee factoren, enerzijds de invloed van de Woestijnvaders -en moeders, en anderzijds de invloed van de bedelorden, zijn tekenend geweest voor de nieuwe spirituele 'middenweg' die zich opende.

De mulieres religiosae

Maria van OigniesVan deze allereerste vrome vrouwen zijn met name een dertiental vita's bewaard gebleven. Onder deze dertien mulieres sanctae treffen we zowel cisterciënzerinnen, dominicanessen als reclusen aan. Enkel Maria van Oignies heeft haar hele leven lang geleefd zoals de toekomstige begijnen dat zouden doen.

Zij vestigde zich, vermoedelijk na het overlijden van haar echtgenoot, in 1207 in Oignies, nabij het huidige Charleroi. Op deze verlaten plek hadden vier broers in 1192 een religieuze gemeenschap opgericht die de Regel van Augustinus volgde. De moeder van deze vier broers woonde in de nabijheid met een groepje mulieres religiosae. Deze gemeenschap was gebaseerd op armoede, onthouding en handenarbeid. Maria sloot zich bij hen aan.

Maria van Oignies leidde een heel intens religieus leven waarin verzaking aan de wereld, nederigheid, armoede, mystieke beleving en handenarbeid centraal stonden; evenwel zonder ooit kloostergeloften te hebben afgelegd. Ze erkende het gezag van de Kerk wel, maar koos er bewust voor om zich niet aan te sluiten bij een religieuze orde.

Heel wat kloostergemeenschappen hebben, vóór ze toetraden tot een reguliere orde, een leefwijze gevolgd als die van de begijnen. Ten teken hun verzaking aan de wereld droegen bv. de cisterciënzer monniken een eenvoudig grijze of grauwe pij. Maria van Oignies werd hierdoor reeds in haar vroege jeugd geïnspireerd om een gelijkaardig gewaad te gaan dragen. Haar ouders beletten dit echter.

Haar intense verering van de eucharistie, haar belangstelling voor de zielen in het vagevuur, haar extases en profetische gave, haar vermogen om harten te lezen, verleent de vrouwelijke spiritualiteit, eigen aan de mulieres religiosae, een heel bijzondere kleur.

De Wegbereiders
Begijnhoven